
In de periode tussen 2005 en 2012 is het aantal verkooppunten in de woonbranche met 7 procent gedaald. In de non-food detailhandel als geheel was deze daling in dezelfde periode 3 procent. De woonbranche staat dus meer onder druk dan de non-food detailhandel. Die conclusie trekt WoonWerk uit onderzoek dat de organisatie afgelopen zomer heeft gedaan naar de verschillen tussen de arbeidsmarkt wonen en die van de overige non-food detailhandel en Nederland als geheel.
Uitgesplitst naar deelbranches blijken met name de gemengde zaken te hebben moeten inleveren in deze periode. Het totale aantal vierkante meters is echter in deze periode niet gedaald, maar gestegen. Winkels worden dus gemiddeld genomen steeds groter. Maar er is meer aan de hand, zo attendeert WoonWerk. Er doet zich een proces van filialisering voor, waarbij familiebedrijven – vaak opgezet door nu met pensioen gaande babyboomers – verdwijnen en ketens hiervoor in de plaats komen. De deelbranche meubelen is wat winkeloppervlak betreft zelfs met 18 procent gestegen in de periode 2005-2012. Schaalvergroting, en waarschijnlijk ook filialisering, speelt volgens WoonWerk dus sterk in de woonbranche.
Ontwikkeling aantal verkooppunten naar deelbranche. Van boven naar beneden: gemengde zaken, meubelen, zachte vloeren, keukens, slaapkamer, kurk- en parketspeciaalzaken en badkamers (figuur uit 'Arbeidsmarktvergelijking WoonWerk')
De deelbranche meubelspeciaalzaken is nog altijd de grootste, met 35 procent van het geheel, gevolgd door de gemengde zaken die 34 procent van de woonbranche omhelzen. Kleine deelbranches zijn de kurk- en parketspeciaalzaken (3 procent) en de winkels in zachte vloerbedekking (5 procent). In de laatstgenoemde twee deelbranches werken voornamelijk mannen, respectievelijk 83 en 74 procent van de werknemers. Dit verschil is te verklaren doordat deze deelbranches technisch/ambachtelijk en installatiepersoneel in dienst hebben, bijna zonder uitzondering mannen.
Bedrijven in de woonbranche hebben gemiddeld minder mensen in dienst dan in de non-food detailhandel en Nederland als geheel. Vergeleken met Nederland en de non-food detailhandel werken er in de woonbranche ook veel minder niet-westerse allochtonen. De woonbranche heeft wel hetzelfde percentage werknemers met een voltijd dienstverband als over geheel Nederland gezien, zo'n 45 procent. Het aantal oproepkrachten is in de woonbranche laag (2 procent) tegenover de non-food detailhandel (8 procent) en het Nederlandse gemiddelde (10 procent). In de woonbranche werken relatief veel mannen die fulltime werken (76 procent) tegenover 42 procent in de non-food detailhandel. De vergrijzing slaat overigens in de woonbranche (met een gemiddelde leeftijd van 44 jaar in 2011) harder toe, zo stelt WoonWerk, dan in Nederland (gemiddeld 41 jaar).
Verder blijkt dat het voor starters lastiger is om in de woonbranche aan de slag te gaan (6 procent in 2010) dan in de non-food detailhandel (10 procent) en in de rest van Nederland. De instroom vanuit de food-detailhandel is bij de non-food detailhandel veel groter (17 procent) dan in de woonbranche (7 procent). De instroom in de woonbranche komt vooral uit de non-food detailhandel (18 procent) en via het uitzendbureau (14 procent). De grootste groep van werknemers die de woonbranche verlaat, gaat werken in de non-food detailhandel (18 procent) en in de groothandel (16 procent). Het uitgebreide onderzoeksrapport 'Arbeidsmarktvergelijking WoonWerk' kunt u downloaden via www.werkeninwonen.nl/arbeidsmarktvergelijking.
(Vloerenplein/WoonWerk, 31-08-2012)